Visietekst evaluatie Freinet

Evaluatiebeleid van Freinetschool Villa da Vinci (KA Sint-Niklaas)

1. Schoolrapporten

De leerlingen krijgen vier schoolrapporten per jaar: twee semesterrapporten en twee tussentijdse rapporten. De tussentijdse rapporten geven een algemeen beeld van de prestaties en vorderingen van de leerling. De leerkrachten geven aan de hand van een kruisje in een tabel aan in welke zone de leerling zich bevindt : de 0/1/2/3-zone, 4-zone, 5-zone, 6-zone, 7-zone of 8/9/10-zone. De leerkrachten voegen een commentaar toe over de prestaties van de leerling.

De semesterrapporten bevatten een meer gedetailleerd oordeel over de prestaties en vorderingen van de leerling. De punten van het semesterrapport worden meegeteld bij het bepalen van het vakeindcijfer voor het gehele schooljaar, dat in het tweede semesterrapport bekendgemaakt wordt. Het semesterrapport bevat ook commentaar van de leerkrachten.

2. Punten in de eerste graad

In de eerste graad (eerste en tweede jaar) worden de resultaten voor de beide semesterrapporten afgerond op een natuurlijk getal (geen cijfer na de komma).

Eindcijfer en promotie naar een volgend jaar.

Het vakeindcijfer vertolkt zowel de vakresultaten als de observaties van de betrokken vakleerkracht over het functioneren van de leerling. Het dient als basis voor het oordeel of de leerling het vak in kwestie het volgende schooljaar succesvol kan volgen. Daarom is het eindresultaat niet noodzakelijk het wiskundig gemiddelde van de semestercijfers, maar het mag nooit lager zijn dan het laagste semestercijfer of hoger dan het hoogste semestercijfer.

Daarnaast krijgen de leerlingen een attituderapport, waarin niet-vakgebonden attitudes beoordeeld worden.

3. A- en B-cijfer in de tweede graad

In de tweede graad (derde en vierde jaar) worden de vakresultaten bij alle semesterrapporten afgerond op vijf tienden. Het semestercijfer bestaat uit twee onderdelen: een A-cijfer en een B-cijfer.

Het A-cijfer weerspiegelt alle beoordelingen van de prestaties van de leerling en de vakgebonden attitudes. Daarnaast krijgen de leerlingen een attituderapport, waarin niet-vakgebonden attitudes beoordeeld worden.

De leerkracht bepaalt de frequentie en de vorm van de evaluaties en hun relevantie (bv. weging). Het A-cijfer op het semesterraport is niet noodzakelijk het gemiddelde van de tussentijdse A-cijfers.

Het B-cijfer weerspiegelt de behaalde punten voor herhalingstoetsen (toetsen over grotere leerstofonderdelen). Het B-cijfer op het semesterrapport is het gemiddelde van ten minste twee of meer herhalingstoetsen. Deze toetsen worden op de school bewaard.

4. A- en B-cijfer in de derde graad

In de derde graad (vijfde en zesde jaar) worden de vakresultaten bij alle semesterrapporten afgerond op vijf tienden. Het semestercijfer bestaat uit twee onderdelen: een A-cijfer en een B-cijfer.

Het A-cijfer weerspiegelt alle beoordelingen van de prestaties van de leerling en de vakgebonden attitudes. Daarnaast krijgen de leerlingen een attituderapport, waarin niet vakgebonden attitudes beoordeeld worden. De leerkracht bepaalt de frequentie en de vorm van de evaluaties en hun relevantie (bv. weging). Het A-cijfer op het semesterraport is niet noodzakelijk het gemiddelde van de tussentijdse A-cijfers.

B-cijfer. In de derde graad organiseert de school twee examenperiodes, één op het eind van elk semester (december en juni). De leerlingen leggen examens af voor een beperkt aantal basisvakken en een beperkt aantal optievakken. Een examenperiode duurt maximaal vijf schooldagen. Een leerling mag hoogstens twee examens per dag maken. Voor alle vakken waarvoor de leerling geen examen aflegt geldt dezelfde regeling als voor het B-cijfer van de tweede graad. Voor deze vakken zijn er dus alleen herhalingstoetsen tijdens de normale lesuren.